Vlaanderen in beeld (Ieper) (1)
ten noorden /oosten van Ieper; Van Roeselare via Moorslede, Ledegem, Westrozebeke, Langemark, Merkem, Zuidschote en Woesten naar Noordschote

 

 

 

Klik op de foto voor een vergroting

 

 

 

 

Stadsmonument van Roeselare.

Roeselare, Roulers Communal Cemetery West-Vlaanderen. Op de Stedelijke begraafplaats van Roeselare, ingang Blekerijstraat, vinden we de graven terug van 96 militairen uit het Gemenebest en 2 onbekende Franse soldaten. 89 graven dateren uit de 1ste Wereldoorlog, evenals de 2 Franse. Onder die 89 bevinden zich 27 Canadezen, waarvan 3 "Known unto God". De 7 overige dateren van de Duitse inval in 1940. Op 53 graven situeert de overlijdensdatum zich in april of mei 1915. Het betreft hier vooral krijgsgevangenen die overleden in het klooster van de Paters Redemptoristen dat door de Duitsers als hospitaal was ingericht voor de opvang van gekwetste geallieerde militairen. Velen van hen stierven door de gasaanval van 22 april 1915 bij Steenstraete.

 

 

 

 

Broedergraf voor Joseph en Emile Tytgat.

 

 

 

 

Achter de 396 Franse kruisjes ligt het massagraf. Hier rusten de stoffelijke resten van 264 Franse militairen. Het opschrift op dit ossuarium werd nooit aangepast; het vermeld er slechts 250.

 

 

 

 

De overgrote meerderheid is slachtoffers van het Eindoffensief (september tot november 1918). Na de bevrijding van de stad door Franse eenheden op 14 oktober 1918 bleven, tot na de Wapenstilstand, belangrijke Franse militaire hospitalen actief in Roeselare. Overleden gewonden van de gevechten tijdens de opmars naar de Leie vonden hier een laatste rustplaats. Daarnaast treffen we ook slachtoffers met als overlijdensjaar 1914, maar vooral 1915. Enerzijds in de ‘Ambulance des alliés’ overleden gewonde krijgsgevangenen ( april 1915: de gasaanval bij Steenstraat), anderzijds een 124 uit Roesbrugge overgebrachte graven.

 

 

 

 

het monument ter ere van de Roeselaarse bevrijders, het Franse 152 R.I.

 

 

 

 

Ferdinand le Hétet (overleden (bij) Roeselare, 19 oktober 1914) was een Frans soldaat die sneuvelde aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, tijdens de terugtrekking van de Franse troepen uit Roeselare. Na zijn dood werd hij begraven op de Oude stedelijke begraafplaats van Roeselare, waar een dreef naar hem is genoemd. Zijn grafmonument, dat in diezelfde dreef ligt, springt meteen in het oog. Het ligt centraal tussen Franse en Britse oorlogsgraven. Hij was voor de Roeselaarse bevolking een held, een symbool van het verzet tegen de Duitsers. Zijn praalgraf maakt gebruik van symboliek: een afgebroken zuil staat voor de dood, de lauwerkrans voor de overwinning, helm en geweer voor een in de strijd gesneuvelde soldaat. De witte kleur staat voor de helden, gezuiverd van alle menselijke onvolkomendheden.

 

 

 

 

Op het gemeentehuis van Moorslede zijn verschillende plaques te vinden die de bevrijding in 1918 herdenken.

 

 

 

 

Links: Deze gedenkplaat werd door de vereniging van oud-strijders van het 6de Jagers te Voet onthuld op 1 juni 1930. De gedenkplaat herinnert aan de bevrijding van Moorslede door het 6de Jagers te Voet.

Rechts: Deze gedenkplaat herinnert aan de rol van het 11de artillerieregiment tijdens het Bevrijdingsoffensief (september - oktober 1918).

 

 

 

 

Bevrijdingsmonument van Ledegem. Het voetstuk van het monument is een ruwe brok graniet, 1.600 kilogram zwaar. 'Dat materiaal is bewust gekozen als symbool voor de verbetenheid van het gevecht en het eeuwige verbond tussen Ledegem en het Leinster Regiment.'  'Op het voetstuk ligt een kopij van de originele Britse stafkaart die werd gebruikt bij de bevrijding. Op een zijkant van het voetstuk prijkt de beruchte getallencombinatie 40/10. Ooit was een Ierse soldaat zo verstrooid dat hij in het peloton na 49 of forty-nine in het Engels het cijfer 50 als forty-ten telde in plaats van fifty. Een grap die nog ouder is dan de Eerste Wereldoorlog', legt voorzitter Nick Soen van Heemkring Liedengehem uit. Het monument werd onthuld door twee kinderen: kleinzoon Jack van voorzitter Don Dickson van The Leinster Regiment Association en zoon Tybo van de Ledegemse burgemeester Bart Dochy

 

 

 

 

Het Peereboomhuis in Ledegem diende gedurende de oorlog als ziekenhuis.

 

 

 

 

Op 1 oktober 1918 (Geallieerd Bevrijdingsoffensief) werd het dorp door de ‘9th (Scottish) Division’ veroverd, maar het moest nadien deels terug prijsgegeven worden aan de Duitsers. Pas de 14de oktober zou het dorp volledig veroverd worden door de 9de en 29ste divisies. Zij begonnen met de aanleg van ‘Ledeghem New Cemetery’, zoals de begraafplaats genoemd werd.

 

Op het kerkhof van Ledegem lagen 14 Britten, die in oktober 1914 en in september en oktober 1918 gestorven waren en die in 1951 overgebracht werden naar Ledeghem Military Cemetery. De begraafplaats werd ingericht door W.H. Cowlishaw. In het totaal liggen er nu 85 Britten begraven (of worden herdacht), waarvan er 17 niet meer geïdentificeerd konden worden. Er staan 2 ‘special memorials’ voor doden, waarvan aangenomen wordt dat ze onder naamloze grafstenen liggen, evenals 1 ‘special memorial’ voor een dode, wiens graf niet meer teruggevonden kon worden op ‘Ledeghem Churchyard’.

 

 

 

 

Juul de Winde Monument Gelegen langs de Poelkapellestraat, op het kruispunt met de Hyndrickxbosstraat, Westrozebeke. De Winde was Eén van de 'IJzersymbolen'. Afkomstig uit Merchtem (Brabant) en op 25-jarige leeftijd gesneuveld te Westrozebeke. Hij was dichter en Vlaamsgezind officier.

Dit vervallen monument werd in september 2013 volledig gerestaureerd in ere hersteld.

 

 

 

 

De contouren van de IJzertoren op het originele monument. Het gedenkteken langs de Poelkapellestraat is van de hand van Karel Aubroeck, een expressionistische beeldhouwer en schilder uit Temse.

Het gedenkteken voor Luitenant De Winde is opgetrokken uit Nieuwpoortse gele baksteen, die speciaal voor het gedenkteken werd gebakken door de firma Florizoone uit Nieuwpoort. Aannemer was Jerôme Boutelgier uit Westrozebeke. Aubroeck realiseerde een halfverheven beeldhouwwerk, die hij 'Jeugdig Vlaanderen dat zijn groten met bloemen en lauweren eert' noemde. Het stelt een buigende vrouwenfiguur voor met bloemenkransen, die de hulde aan De Winde symboliseren. Op de achtergrond wordt ook de 'Goudberg' voorgesteld.

 

Zijkant van een van de twee Duitse betonconstructies, vermoedelijk opgericht in functie van de nabijgelegen spoorweg. Vlakbij hangt een gedenkkruisje voor private. Morley, die hier bij de verovering van deze bunkers op 26 oktober 1917 omkwam.

 

 

 

 

Horace Wilfred Morley behoorde tot het '1st/5nd Northumberland Fusiliers' (dat behoorde tot de 149ste brigade, 50ste divisie). Hij stierf hier op 26 oktober 1917, toen getracht werd deze omgeving te veroveren (tijdens de Derde Slag bij Ieper). Door het felle mitrailleurvuur vanuit de Duitse bunkers zouden maar weinig geallieerde eenheden die dag hun vooropgestelde doeleinden bereiken. Morley raakte tijdens de gevechten vermist en wordt herdacht op het 'Tyne Cot Memorial'. Het sobere gedenkkruisje werd gemaakt op initiatief van zijn kleindochter Diana Keen uit Somerset (Groot-Brittannië). Ik kon het kruisje in september 2013 niet vinden.

 

 

 

 

Zojuist geploegd en dus hier en daar de vormen van obussen.

 

 

 

 

De kerk van Langemark.

 

 

 

 

bovenaan een engel met orgel, in het midden in een open pseudo-gotische portiek, Maria met kind, heiligen en een geknielde biddende militair, onderaan het Belgische wapenschild. 'In memoriam 1914-1918 Petrus Nyssens et conjux Valerie Convent d.d.'.

 

 

 

 

Deze naamsteen gedenkt de opmars van de geallieerden richting Langemark eind september, begin oktober 1918.

 

 

 

 

Ellis Humphrey Evans werd geboren in 1887 in een grotendeels Welshtalig dorp in Noord-Wales. Vanaf 1906 nam hij deel aan de traditionele poëziewedstrijden. In 1910 kreeg hij het pseudoniem 'Hedd Wyn' ('Lichtende Vrede'). Zijn geliefde thema's waren romantisch, zoals de natuur en godsdienst. In 1915 nam hij voor het eerst deel aan de nationale poëziewedstrijd. Inmiddels was het oorlog en Welshmen meldden zich massaal als vrijwilligers. Hedd Wyn droeg zijn gedichten vaak op aan zijn lijdende dorpsgenoten. Vanaf oktober 1916 werkte hij aan zijn inzending voor de nationale poëziewedstrijd van 6 september 1917 met als opgelegd thema 'de held'. In februari 1917 gaf hij zelf gevolg aan het oproepingsbevel. Op 31 juli 1917 veroverde het 15de bataljon 'Royal Welsh Fusiliers' de Pilkem Ridge en rukte vervolgens op naar 'Iron Cross' ('Hagebos'). Private Evans werd geraakt, overleed op 30-jarige leeftijd, waarschijnlijk in een eerste hulppost nabij 'Iron Cross'. Hij werd begraven op Artillery Wood Cemetery te Boezinge, waar hij nog steeds ligt. Hedd Wyn won posthuum de nationale poëziewedstrijd, kreeg de 'Zetel' als prijs en werd een nationale legende: hij kreeg een standbeeld, zijn geboortehuis en zijn woonplaats kregen gedenkplaten en werden bedevaartsoorden. In Langemark, aan het kruispunt Hagebos, werd naar aanleiding van de 75ste verjaardag van zijn dood deze gedenkplaat onthuld, nl. op 31 juli 1992.

 

 

 

 

De Duitse bunker maakte deel uit van de 'Brabant-Linie'. In de omgeving van deze versterking liepen 2 smalsporen. De gedenkplaat herinnert aan Jean Taymans, die hier op 28 november 1917 omkwam tijdens een aanval, toen de bunker werd opgeblazen..

 

 

 

 

De grond met de restanten van de Duitse bunker 'Epernon' werd na WOI aangekocht door de familie Taymans. In 1934 werd een bronzen plaat aangebracht ter herinnering aan adjudant Jean Taymans. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween de bronzen plaat. Ze werd door het gemeentebestuur vervangen door een hardstenen plaat. Jaarlijks kwam (en komt?) op de laatste zondag van september een afvaardiging van het 19de linieregiment (waartoe Adjudant Taymans behoorde) samen met de familie, Jean Taymans herdenken.

Jean Taymans (°1883) was de oudste van de broers, 32, advocaat, getrouwd en vader van een 5 maanden oude zoon, toen hij zich in 1914 meldde. Hij was tot adjudant opgeklommen bij het 19de Linieregiment, toen hij eind november 1917 het leven verloor. Zijn broers Paul, Pierre en Charles kwamen ter gelegenheid van de mis opgedragen aan hun broer (wiens lichaam niet meer teruggevonden kon worden), voor een laatste keer samen in de kerk van Oost-Vleteren. Enkel Paul zou de oorlog overleven. Jean zou uiteindelijk 3 Frontstrepen ontvangen, evenals het Oorlogskruis, de titel van Ridder in de Leopoldsorde met palm en de Overwinnings- en Herinneringsmedaille van de Oorlog 1914-1918

 

 

 

 

Kruisje voor Germain Allo, ten zuiden van Zuidschote. Vermoedelijk was Germain Allo een Franse militair. Het zou kunnen gaan om Alphonse Félix Allo, behorende tot het '418 Régiment d'Infantérie', die in de omgeving van Lizerne omkwam op 27 april 1915. Alphonse Félix Allo is op 2 juni 1894 geboren te Esonnes (Seine et Oise). Het kruis werd gegoten door Maurice Vandenberghe.

Vermoedelijk vervangt dit monument het voormalige monument voor de burgerlijke en militaire doden van Woesten, dat opgericht werd op initiatief van de V.O.S. (Vlaamse Oud-Strijders) en onthuld werd op 2 september 1923. Het huidige monument werd geschonken door het A.C.V. en werd onthuld op 30 mei 1954.

 

 

 

 

Demarkatiepaal aan het Noordschoteplein, vlak bij de IJzer. De uitgekozen plaatsen staan niet steeds gelijk met de verste Duitse opmars, maar verdienen enige specificering: nagenoeg alle demarcatiepalen in de Ieperboog duiden het front van midden 1918 aan, rond Boezinge herinneren de palen aan de Duitse terreinwinst na de gasaanval van 22 april 1915.

 

 

 

 

Op 21 oktober 1914 werd het gehucht Luigem ingenomen door de oprukkende Duitsers. Door de onderwaterzetting in november bleef enkel de steenweg Noordschote-Luigem (die over een verhoogde berm liep) nog begaanbaar en werd Luigem een versterkt schiereiland. Vanuit hun voorpost Drie Grachten richtten de Fransen hun mitrailleurs op deze weg. In de nacht van 9 op 10 november ondernamen de Fransen, waaronder Zouaven, een aanval op de Duitse voorpost Luigem. Het werd een hevig man-aan-mangevecht met hevige verliezen aan beide kanten. De aanval mislukte. Twee dagen later, in de nacht van 11 op 12 november, mislukte een Duitse tegenaanval op Drie Grachten. Het verhaal luidt dat de Duitsers de gevangen genomen Zouaven van het vorige gevecht voor zich uit duwden, waarachter ze zich verstopten. Eén van de Zouaven zou echter geroepen hebben: "Tirez donc au nom de Dieu, ce sont les Boches!". Onmiddellijk na de waarschuwing brak een salvo van de Fransen los dat zowel de Duitsers als de Zouaven neermaaide. De Zouaven uit Noord-Frankrijk (de "Union des Zouaves du Nord") bleven dit na de oorlog herdenken.

 

-V-

Home