St. Mihiel in beeld (9)
Van Butte de Montsec via Bouconville, Seicheprey, Mandres aux quatre Tours, Hamonville en Ansauville naar Flirey.

 

Klik op de foto voor een vergroting

 

De prachtig onderhouden zuilen en trappen van het Amerikaanse memorial Montsec in het vroege ochtendlicht. Butte de Montsec is een gedenkteken in de Franse plaats Montsec, departement Meuse. Het monument is gebouwd op een bergtop van 377 meter. Het monument gedenkt het offensief van de Amerikanen dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd geleverd bij Saint-Mihiel (12-15 september en 9-11 november 1918).

Het monument in neoclassicistische stijl werd in 1930-1932 gebouwd naar een ontwerp van Egerton Swartwout. In het bouwwerk staat een oriëntatietafel.

Butte de Montsec is een monument historique sinds 1975.

Alexandre Jean (Jean) Bouin (Marseille, 20 december 1888 – Xivray (Meuse)

Bouin werd geboren als kind van de handelaar Louis Michel Bouin en Berthe Emir Pioch. Hij won viermaal het Franse kampioenschap veldlopen en verbeterde op 16 november 1911 op het Franse kampioenschap het wereldrecord op de 10.000 m naar 30.58,8. De 5000 m liep hij in 14.36,8. Op 6 juli 1913 verbeterde hij in Stockholm het wereldrecord op de uurloop naar 19.021.

Bouin stierf als soldaat van de 163e infanterie in een gevecht bij Xivray, Meuse, 10 mijl ten oosten van Saint-Mihiel. Over de omstandigheden van zijn dood is nauwelijks iets bekend. Na zijn dood is er een stadion naar hem vernoemd in Parijs (Stade Jean-Bouin) en een rugbyclub (Stade Francais).

 

Het monument voor deze bekende sportheld staat naast de kerk van Bouconville sur Madt.

 

 

Portret van een van de door de Grote Oorlog verwoeste talenten..

Mandres aux quatre tours viel al in september 1914 in Duitse handen.

 

 

Achter de kerk op de burgerbegraafplaats ligt de Franse generaal Sibille tussen enkele manschappen.

 

 

Brigadegeneraal Charles Antoine Sibille (1853-1914) ,  Ridder en Officier in het Legioen van Eer, was commandant van de 64ste Brigade Infanterie. Hij werd tijdens de gevechten in de omgeving gedood op 27 september 1914.

Het met plastic bloemen overladen graf van Casimir Sauvayre, soldaat in het 252me RI, op de burgerbegraafplaats van Mandres aux quatre Tours.

 

 

Bordje op het hek om het dorpsmonument van Mandres aux quatre Tours met een dankwoord aan de Amerikanen die voor Frankrijk en mensheid het leven lieten.

 

 

Het eenvoudige dorpsmonument van Mandres aux quatre Tours.

Hamonville, twee kilometer ten zuidoosten van Mandres aux quatre Tours, is grijs, troosteloos en zo ook de drie eenzame graven op de plaatselijke begraafplaats. Dit is het gehavende graf van Jean Baptiste Avenard,..-

 

 

…Het biedt een trieste, maar passende aanblik.

 

 

Het graf van Marcel Ramu in beroerde staat.

 

 

Nog een kilometer verder zuidoostwaarts ligt een net zo triest dorpje, Ansauville, Ten oosten van het gehucht staan twee als monument herkenbare zuilen in het weiland. Beide verkeren in troosteloze staat.

 

 

De ene is voor het 163me RI, dat een vrij jonge geschiedenis kent en op alle slagvelden van de Grote Oorlog te vinden was.

 

 

De ander is voor het 241me RI, terwijl de tekst verwijst naar het 17e Bataljon en naar 1916.

 

 

Ansauville met de twee monumenten in de voorgrond. Snel verdwijnende geschiedenis.

 

 

Op 20 april 1918, Deden de Duitsers een uitval bij het nabij gelegen dorp Seicheprey. Deze raid was omvangrijker dan die bij Apremont en heeft in de literatuur over het Amerikaanse optreden in Frankrijk meer sporen nagelaten. De sector rond Seicheprey werd verdedigd door het 102e infanterieregiment van de 26e divisie dat was gevormd uit de National Guard van Connecticut. De Duitse codenaam van de raid was Kirschblüte, kersenbloesem.

Na een inleidende artilleriebarrage van twee uur, waarbij ook gasgranaten werden afgevuurd, bestormden ongeveer 2.000 Duitsers, waaronder een eenheid stoottroepen, de Amerikaanse stellingen. Geholpen door een ochtendmist verrasten ze de Amerikanen volledig en twee compagnieën werden overlopen. Man tegen mangevechten braken uit waarbij zelfs de koks van het regiment betrokken waren. De Amerikanen verzetten zich tot het uiterste met messen, pistolen en handgranaten.

 

Het een paar kilometers ten zuiden van de loopgraven gelegen dorp Seicheprey kwam in Duitse handen. Er heerste verwarring alom in de Amerikaanse gelederen en toen ze zich enigszins hersteld hadden trokken de Duitsers zich terug met medeneming van 180 gevangenen. Het geheel vernielde dorp Seicheprey kwam weer in Amerikaanse handen. Hun verliezen bedroegen 81 doden, 187 gewonden en 214 gasgewonden.[10] Gevoegd bij de slachtoffers van de raid bij Apremont betekende dit dat de 26e divisie de tot dan toe grootste Amerikaanse verliezen had geïncasseerd.

 

De Yankee Division had een gevoelige klap gekregen. De Amerikaanse pers kon het treffen bij Seicheprey nog uitleggen als een overwinning, want ze hadden, tenslotte, het dorp weer in bezit gekregen, maar generaal Pershing was not amused over het optreden van zijn troepen. Generaal Passaga tilde er minder zwaar aan en beschouwde een en ander als een ‘incident waaruit de divisie wijze lessen moest trekken’. En acht dagen daarna zou hij het vaandel van 104e infanterieregiment decoreren voor de strijd bij Apremont.’

 

 

Ter herinnering aan de Amerikaanse strijd in Seicheprey werd, in 1923, door de inwoners van Connecticut een klein monument opgericht. De bescheiden tekst, zonder oorlogsretoriek, op de stenen fontein op een grasveld naast de kerk luidt:

 

‘To the commune of Seicheprey.

To commemorate the service of the 102d Infantry, 26th Division, a regiment of the American Army recruited from citizens of Connecticut. Defenders of Seicheprey April 20 1918. In the firm belief that the friendship of Frenchmen and Americans sealed in this place in battle shall serve the cause of peace among all nations. This memorial is presented by the men of and women of Connecticut.

 

Naast de kerkdeur herinnert een plaque aan de tijd dat de Amerikaanse troepen Seicheprey als basis hadden voordat de saillant werd heroverd.

 

 

Zwaarden, adelaars, vaandels en sterren laten geen twijfel over de herkomst bestaan.

Het dorpsmonument van Seicheprey bevat naast de reguliere namenlijst en persoonlijke plaques een nadrukkelijke ode aan de Amerikanen…-

 

 

 

 

….die dan wel de slag, maar niet de oorlog om het dorp verloren.

Verwijsbord naar Cimetière Militaire de Flirey, een kilometer ten zuiden van het frontdorpje.

 

 

 

 

Cimetière Militaire Flirey, opgericht in juni 1919, omvat 2.699 lichamen die eerder begraven waren op de militaire begraafplaatsen Bouconville, Flirey A, B en Côte 305, D, Fey en Haye, Limey A, B, D, Rambucourt (Meuse) , Seicheprey, Vigneulles (Meuse) en Flirey-Limey C.

Dit monument op Cimetière Militaire Flirey eert het 369me RI, een voor de gelegenheid in 1914 opgericht Regiment dat vooral rond verdun haar sporen verdiende.

 

 

 

 

Plaque op het ossuaire van Cimetière Militaire Flirey.

 

 

 

 

Van 19 september tot 11 oktober 1914 woedde om Flirey een heftige slag. Inzet was het bezit van de strategisch belangrijke spoorwegen van en naar Verdun.

Op het plein voor de kerk staan 2 monumenten tegenover elkaar.

 

 

 

 

Het monument voor de kerk is gewijd aan twee Regimenten, het 163me en het 363me RI die de stad verdedigden.

 

 

 

 

De tekst brengt ode aan de Regimenten en meldt dat het monument werd onthuld door president LeBrun en maarschalk Petain, toen nog held van Frankrijk.

De kou straalt van het monument. De poilu heeft de kraag omhoog, handschoenen en een wollen muts onder de casque Adrian.

 

 

Aan de voorzijde nogmaals een plaque voor het 163e RI.

 

-V-
Home