St. Mihiel in beeld (3)
Van St. Mihiel via Lerouville en Mécrin naar Marbotte.

Klik op de foto voor een vergroting

 

 



 

Vlakbij de pont Patton aan de Maas staat een monumentje dat al menig oorlog heeft gezien. Het is dan ook behoorlijk beschadigd. Ook hier een opsomming van Regimenten van de 40ste infanteriedivisie die vanuit St Mihiel de oorlog in trokken.

 

Het monument tegenover de place Foch.

Dit kleine monumentje eert de dragers van de Medailles Militaires. Het staat op de westoever bij de brug.

 

Het opschrift van het monumentje.

 

 

In de imposante kerk van St Mihiel is niet veel meer te vinden dan de gebruikelijke namenlijst van gesneuvelde burgers.

 

 

Het fraaie stadsmonument van St. Mihiel, met burgers aan de ene-

….En soldaten aan de andere kant.

 

 

De tekst is weergegeven in het Engels en Frans. De plaque stamt uit september 1988, 70 jaar na de bevrijding.

De reliëfkaart in het gemeentehuis stamt uit dezelfde tijd en werd als stafkaart gebruikt door de Amerikanen.

Drie kilometer ten zuiden van St. Mihiel aan de D964 is een monument opgericht voor de Franse troepen die in september 1914 standhielden. Een demarcatiesteen bevestigt dit.

Het monument herdenkt de Franse verdediging op 23 t/m 25 september 1914 door het 166me RI en het 5me RAP.

 

Vlakbij Fresnes au Mont aan de D901 ten westen van st. Mihiel staat dit kleine kruisje voor de Amerikaanse piloot John Agar jr.

 

Enkele dagen voor het einde van de oorlog, op 21 oktober, sneuvelde Agar.

In Lerouville, enkele kilometers ten zuiden van St. Mihiel, staat op een voormalig kazerneterrein dit monument voor de manschappen van het 154me en 354me RI, die op 31 juli 1914 ten strijde trokken.

 

De tekst op het monumentje, wat nu naast de kinderspeelplaats staat.

De Avenue du 154me Regiment d ’Infanterie..

 

 

In Mécrin staat dit monument voor het 56me RI met een verwijzing naar het nabijgelegen Bois d’Ailly. Het 56ste deed hoofdzakelijk in deze regio dienst tijdens de Grote Oorlog.

 

 

Van Mécrin is het slechts enkele kilometers naar de hellingen van Bois d’Ailly, een bitter slachtveld in de zuidwesthoek van de saillant. Het monument annex ossuaire werd op 11 november 1923 door president Poincare onthuld. Les grands noms des champs de bataille du Saillant de Saint-Mihiel sont inscrit sur l'obélisque ainsi que tous les régiments ayant participé aux combats.

De slagvelden en eenheden zijn in de obelisk gegraveerd, zoals Tête à Vache en Louviere, en Fort Camp des Romains.

 

 

Gedenksteen van het ossuaire voor het monument, omringd door persoonlijke boodschappen.

 

 

In het Bois d’Ailly is tegenwoordig een aangename wandeling langs de voormalige loopgraven uitgezet.

 

 

Verschillende quotes uit boeken sieren de bomen langs het wandelpad.

 

 

Beeld van de loopgraven in het Bois d’Ailly.

 

 

Betonnen versterkingen in het Bois d’Ailly.

 

 

Monument voor het 172me en 372me RI ter herdenking van de slag in het Bois d’Ailly. In de lente van 1915, gaf het Franse hoofdcommando de opdracht om aan te vallen in de sector van het Bois d'Ailly.
Op 19 mei 1915, om 10 uur 's avonds, waren de Franse troepen ter plekke. Aan het hoofd van zijn mannen, bezette Commandant d'André snel één loopgraaf, daarna twee, daarna drie, en toen een vierde. Ondanks zware verliezen, bereikte hij het noorden van het Bois d'Ailly, waar een nagenoeg lege loopgraaf werd aangetroffen. Dit was de vijfde.
"Ik ben er gekomen en ik ben van plan om te blijven!" zei Commandant d'André. Hij zond boodschappers naar achteren. Jammer genoeg, bereikte geen van allen hun bestemming; ze werden allemaal gedood of gevangen genomen.
De Duitsers maakte een barrage van vuur achter de mannen van Commandant d'André, zodat ze afgesneden werden van de andere Franse troepen, die hun kameraden niet konden komen helpen omdat ze hun exacte posities niet wisten. Nieuwe Duitse troepen, eenheden van de Pruisische Wacht, werden het veld ingestuurd.


 

 

Commandant d'André behield de vijfde loopgraaf, waaruit Saint-Mihiel zichtbaar was, maar ook behield hij de vierde, die bekend stond als de 'loopgraaf van de dorst' (Tranchée de la Soif). De Fransen concentreerden hun verdedigingen in la Tranchée de la Soif.

De Duitsers wilden onderhandelen. Dit werd systematisch geweigerd door de Fransen.

Op de 21ste, ging de slag door. In de avond, lanceerde de Pruisische Wacht nog een bloedige aanval die werd tegengehouden. De lichamen van de doden en de stervenden lagen op hopen.

Op de 22ste, was er nog een Duitse aanval, die werd tegengehouden door slechts het vuur van geweren, omdat er geen granaten meer over waren.

 

De havermoutzakken waren al lang geleegd van hun weinige voorraden die zij op de 19e nog bevatten. De waterflessen, uit welke de manschappen dronken voordat ze met de eerste aanval begonnen, waren leeg sinds de 20ste. De mannen hadden honger, en nog belangrijker, dorst. De hitte was verstikkend. De aarde vloog uiteen in wolken door de granaten die neerkwamen. Dorst werd het ergste lijden van alles. Het was onmogelijk om de lippen op te frissen. En ondertussen ging de slag door. Mannen doodden andere mannen, mannen hadden zwaar te lijden, mannen stierven. Op 22 mei om 4 uur, hadden de Franse soldaten al drie dagen geen eten en geen drinken meer gehad, en ook geen contact met hun kameraden. De Duitsers bleven doorgaan met zware aanvallen. Uiteindelijk lukte het ze om de Tranchée de la Soif in te nemen.

Commandant d'André was de laatste van de weinig overgebleven manschappen van de 7de compagnie van het 172ste Régiment d'infanterie, om de loopgraaf te verlaten.

Monument voor het 13e RI langs de D12 tussen Mécrin en Marbotte. Het 13e Regiment nam ook deel aan de slag om de Tranchée de la Soif.

Ici Bourbonnais sans tache a Tenu: De Bourbonnais (de bijnaam voor het 13e RI) hebben stand gehouden.

Een bospad tussen de D171C en de D12 staat vol met monumentjes voor de Regimenten die in het Bois d’Ailly vochten, zoals deze voor het 10e en 210e RI.

Of deze, voor het 27e RI.

-V-

Home