De Marne in beeld(58)
van Broyes via Lachy, Moeurs-Verdey Barbonne-Fayel, la Noue en Comblizy naar Esternay

 

Klik op de foto voor een vergroting

 

 

De ingang naar cimetiere communal de Broyes.

 

 

Op de cimetiere is deze steen te vinden: " A la mémoire de Paul Victor Arsène Caillebourdin "

Caillebourdin was soldaat 2e klasse en diende bij het 355e régiment d'infanterie (355e RI). Hij sneuvelde aan de Somme op 7 oktober 1916 en zijn lichaam is nooit teruggevonden.

 

 

Marie Joseph Dissard en Robert Léon Féron liggen begraven in een handgemaakt kleurrijk carré.

 

 

Église Saint-Gervais-Saint-Protais in Lachy.

 

 

Naast het monument aux Morts van Lachy staat een zware mortier opgesteld.

 

 

Het betreft een mWM (Mittlerer Wurf Minen), een Duits model mortier van 150 mm kaliber

 

 

Toegang tot de cimetiere communal de Moeurs-Verdey, ten westen van Sézanne.

 

 

In de wand van de cimetiere is een bescheiden poortje gebouwd met daarin een plaque.

 

 

In het poortje worden de gesneuvelde dorpsgenoten herdacht. De plaque ernaast gedenkt een voor de Grote Oorlog helaas regelmatig terugkerende routine: het executeren van soldaten “pour l’example”.

 

 

"A la mémoire de ... soldats du 327e Régiment d'Infanterie fusillés pour l'exemple le 7 septembre 1914 entre Les Bordes et Verdey. Réhabilités le 22 décembre 1926"

 

Een eeuw geleden, op 7 september 1914, werden zeven reservisten van het 327e R.I. 'als voorbeeld voor de anderen' aan de Marne neergeschoten. Een zeldzaam geval, want een van hen overleefde deze executie en werd zelfs teruggestuurd naar het front.

 

In zeer levendige brieven vertelt François Waterlot, een 27-jarige soldaat, hoe hij werd neergeschoten op 7 september 1914. "We werden gevraagd om onze zakdoek en we werden geblinddoekt. Als eerste soldaat van rechts begon ik de paar momenten te tellen dat ik nog mocht leven voordat ik de grote reis maakte ". Deze reservist van het 327e R.I. is geen levende dode, maar het enige bekende geval van een poilu die zijn executie heeft overleefd.

 

Begin september 1914 vocht François Waterlot in het 327e R.I. aan de Marne, nabij Sézanne, ongeveer veertig kilometer van Épernay. In de nacht van 6 op 7 september 1914 staan ​​de soldaat en zijn kameraden onder zwaar vijandelijk vuur. "Ze verlaten hun positie onder invloed van projectielen gelanceerd door Duitse snelvuurkanonnen. Natuurlijk blijven ze niet ter plekke om gedood te worden en ze schieten terug", vertelt het verhaal, "Maar wanneer ze hun positie weer innemen, ontmoeten ze onverwacht hun generaal-majoor die door het lawaai is ontwaakt."

 

De officier, generaal Boutegourd, is woedend, hij beschuldigt hen van desertie: "Hij heeft ze niet voor een tribunaal gebracht, zelfs niet voor een onderzoekscommissie, hij beslist slechts over hun executie. Een juridische wandaad.”

 

In de vroege ochtend worden de zeven ongelukkige soldaten voor het vuurpeloton geleid. Hand in hand wachtten ze op het einde. Voor hen stonden ​​ongeveer dertig mannen uit hun eigen regiment klaar om te schieten. Bij het signaal resoneerden de geweerschoten. Veel soldaten misten opzettelijk hun doelwit. Terwijl zijn kameraden instortten, deed François Waterlot alsof hij dood was. Twee andere poilu’s ontsnapten ook aan deze executie. Een van hen, Palmyre Clement, bezweek uiteindelijk aan zijn wonden, terwijl de andere, Gaston Dufour, vermist raakte na de executie. De officier van het vuurpeloton verzuimde zijn plicht en negeerde de drie nog levende soldaten. François Waterlot stond op en voegde zich weer bij zijn regiment.

(verhaal vrij naar https://www.france24.com/fr/20140902-grande-guerre-fusille-vivant-francois-waterlot-premiere-mondiale-soldat-francais)

 

 

De Église Saint Pierre Saint Paul in Barbonne-Fayel herbergt een bijzonder monument voor de gesneuvelden.  

 

 

Centraal staat een bekende voorstelling van de engel met de lauwerkrans boven een poilu. Aan weerszijden zijn schilderingen aangebracht, zijn portretjes van de gesneuvelden in kaders ondergebracht en siert een regimentsvlag dit toneel.

 

 

Het paneel rechts toont loopgraven, ruines, brancardiers en infanteristen. Waar is niet bekend, maar het tafereel is van na 1915.

 

 

De schildering links toont verkleumde soldaten in een oorlogslandschap, plaats en tijd onbekend.

 

 

Twee detailopnames van de opstelling; links de poilu in de beeldengroep, rechts twee emaille gedenktegels zoals die na de oorlog veel werden gemaakt.

 

 

Twee losse plaques voor gesneuvelde dorpsgenoten staan wat verloren onder het monument in een nis.

 

 

Aan de Église Saint-Martin de la Noue in het gelijknamige dorp hangt deze plaque voor het 110e R.I. en het 1er C.A.

 

 

De tekst luidt:

"A la glorieuse mémoire des officiers, sous-officiers et soldats du 110e R.I. et du 1er C.A. Morts dans ces champs le 6 septembre 1914. R.I.P."

 

 

Het dorpsmonument van la Noue.

Aan de D18 op de wegsplitsing met de D518 staat demarkatiepaal 01.41, klaarblijkelijk aangereden.

 

 

De paal is verder in goede staat en heeft als titel Comblizy.

 

 

De locatie van de demarkatiepaal aan de D18, die officieel BORNES DU FRONT PAUL MOREAU-VAUTHIER heet.

 

 

Langs de drukke N4 ten oosten van Esternay staat dit monument in de bosrand.

 

 

Het betreft het croix commémorative 73e, 273e et 6e R.I.T., een eerbetoon aan de doden van het 73e, 273e et 6e R.I.T. tijdens de Marneslag die hier op 6 september 1914 in dit bos ("Bois Robin") plaatsvond. Ze waren betrokken bij de inname van het kasteel van Esternay en worden herdacht door de oud-strijders.

Opvallend genoeg is het kruis gebouwd uit oude granaathulzen.

 

 

Uit de plaque aan de voet van het monument blijkt dat het op 6 september 1970 opgericht is.

 

 

Blik op de N4 vanaf het monument.

 

-V-

Home